| DE JONGEN DIE HET GING MAKEN | In het metalen dashboardkastje van zijn prachtige MG komt Bram een schroevendraaier tegen. Nog gekregen van zijn vader. Als vanzelf gaan zijn gedachten terug naar de tijd dat ze samen aan zijn fiets rommelden. Remmen bijstellen, een ander stuur erop, de ketting smeren. Wat een lol beleven ze eraan. Elf jaar is Bram en het leven lacht hem toe. Een jaar later sterft zijn vader. Aan het eind van groep 8, zonder waarschuwing. Bram valt in een diep gat. Van zijn vriendjes moet hij niets hebben. Hij komt het huis niet uit. Zelfs de PlayStation boeit hem niet. En zijn fiets? Die staat de hele vakantie eenzaam in het donkere schuurtje. Bram durft er niet naar te kijken. Dan breekt de eerste dag van de middelbare school aan. Een scholengemeenschap met een christelijke achtergrond. Het zegt Bram niets. Z'n zus doet havo-vwo, voor hem wordt het vmbo: so what? Net als die Plus: het zal wel. Met een steen in zijn maag loopt Bram die ochtend naar de schuur. Daar staat zijn fiets. Alsof er niets veranderd is. Glimmend, stralend, klaar voor een nieuwe tocht. En voor het eerst sinds maanden benauwt de gedachte aan zijn vader hem niet. Zijn fiets, zijn vader, zijn leven, een doel…? Die eerste dag komt Bram te laat. De conciërge van de school wacht hem op en kijkt naar de fiets. "Mooi karretje. Ben jij zo handig?" De tranen schieten Bram in de ogen. De conciërge schenkt hem een kop thee in en haalt Brams mentor erbij. Deze begint rustig over de school te vertellen. Over het uitgangspunt dat het er voor iedereen leuk moet zijn. Dat iedereen hier naar zijn mogelijkheden kan leren. Dat iedereen het hier kan maken, ook letterlijk… Langzaam ontspant Bram zich. Zou dat inderdaad iets voor hem zijn: iets maken - léren maken? Zijn handen iets laten doen wat zijn hoofd bedenkt? Als eerbetoon aan zijn vader? Oók, misschien. Maar nog meer voor zichzelf. Bram ontdekt dat de school echt goed bij hem past. De basisberoepsgerichte leerweg voert hem langs tal van praktische vakken. Fijn om te doen. Problemen of verdriet over zijn vader, kan Bram bij zijn mentor kwijt. Ook de andere leraren praten veel met hem. Over de lesstof, over zijn vaardigheden die hand over hand toenemen, over zijn doelen. Die krijgen langzaam maar zeker vorm. Tot Bram het op een dag zeker weet: hij wordt monteur, de beste van de stad. Na zijn eindexamen is het eigenlijk geen vraag meer of hij door wil gaan: dankzij de doorlopende leerlijnen stapt Bram binnen dezelfde instelling geruisloos over op MBO Techniek. De school regelt ook een perfecte stage in een garage voor hem. Daarmee breekt een geweldig tijd aan. De baas herkent in Bram iets van zichzelf. De passie voor mechanica, het willen máken. Bram blijkt ook een goede invloed op zijn mede-stagiairs te hebben. Hij weet de timide Patrick te veranderen in een gedreven sleutelaar, de agressieve Tom in een computerfreak. Een paar jaar na zijn examen heeft Bram zich in het grootste garagebedrijf van de stad opgewerkt tot chef werkplaats. Het leven lacht hem toe. De fiets heeft plaatsgemaakt voor een prachtige MG, zelf gemaakt van losse onderdelen. Remmen bijstellen, een ander stuur erin, de motor smeren, al zijn vrije tijd gaat eraan op. Hij laat de schroevendraaier door zijn handen gaan. Die is later voor zijn zoon. Amsterdam, april 2007. |
